Cape Council of Policy
712
1682-10-26
Minute details
- Entry number
- 712
- Date
- 1682-10-26
- Year
- 1682
English translation
Thus adopted at the Castle of Good Hope, date above.
[Signed:] MART. PIT.
[Signed:] W. LYCOCHTHON.
[Signed:] N. SCHAGHEN.
[Signed:] S. VAN DER STEL.
[Signed:] A. DE MAN, RT. AND SECTS.
Advisory in the matter concerning the expedition to the Namacquas.
39
The Lord Nicolaes Schagen, Extraordinary Councillor of India, is of the opinion, regarding this matter, that no violence should be used and that the expedition should nevertheless proceed, and that in accordance with the orders of the Lords, our Principals, contained in their Noble Letter of January 23, 1681, and the instruction of Lord General Van Goens, Commissioner here at the Cape, left as regulations for the Commander and Councillor in Lieutenant.
The Commander Simon van der Stel notes his advice, although the aforementioned The Namacquase nation has sparred when our own came to attack their borders with hostility. However, experience in this area has shown that this native Hottentoot nation could be driven away by their female and bloody nature by throwing a little powder on the ground. Much less can it be considered in the slightest, beyond all human opinion, that this Namacquase nation would dare to treat us badly, much less that it is apparent that they would come to commit any hostile actions, and that the fear that might exist for this, once dispelled, is the resolution to resist them in evil encounters, as well. But it is intended to encourage our party, who will be in charge of this expedition, in the event of any unexpected bad encounter, to bring this expedition to a desired end. Otherwise, the slightest encounter with this nation would easily lead to a turnback. Therefore, his E. remains fully insistent on the resolution adopted in this regard.
The Council of Justice, Adriaan van der Heijden, is of the opinion that the expedition to the Namacqua nation should continue and the plan should be continued there, and, if our Hottetoots should resist, to break through in order to bring the plan to a desired end. Captain Jeronimus Cruse notes in his opinion that the expedition, since everything is already well underway, should proceed, but that all possible diligence should be exercised to pass through this nation amicably. However, if the work is not accomplished, and if they are attacked by the enemy beforehand, they should be paid for in kind.
Lieutenant Jan Baptist Dubertijn fully agrees with Captain Jeronimus Cruse's opinion.
The sub-merchant Andries de Man notes in his opinion, regarding this matter, that this project should not be undertaken by means of force,42 but that this nation should be tried to dispose of by a friendly welcome and with a small regal, so far that they would grant ours free passage, and to this end all questionable means should be employed, according to the memorial left by His Honor, the Lord Governor General van Goens, who was appointed here at the Cape at the latest, but in the event that the Namacquas cannot be disposed to do so with amicability, and ours, without having been given reasons for an offense, come hostilely to attack in order to prevent them from passing through, in In such a case, our party will be free to repudiate it, in order to bring the project to a desired conclusion.
The junior merchant Martinus van Banchem notes in his opinion that he continues to adhere to the resolution reached on this matter.
The Ordinary Councillor Marten Pit, presently presiding in this Council, notes in his opinion, with regard to this matter, that he has observed that this expedition is in the best interests of the Lords, our Lords, and their Honor. letter of January 23, 1681, consented43 to provide us with cattle and that His Excellency the Lord Governor General Rijckloff van Goens, on his journey to the fatherland, by instruction44 recommends this journey to investigate what that region might contain, expressly expressing that this must be done amicably and, while the advantages to be gained or found there are entirely uncertain and the Council here at the Cape is not authorized to conduct such an investigation by way of violence, So is his E. of the sentiment that ours is repossessed on this journey and is in fact prevented by the Namacquas from carrying out our plan and to travel through their lands, as the Lord Commander Simon van der Stel presupposes and establishes, according to their own pretense and threat, that in such a case it is advisable to turn back and to continue with our plan by way of violence, but that in satisfaction of the Lord General's recommendation this expedition for his E. arrival being all ready and all necessity having been prepared, however, their progress should have been with a recommendation to the officer who would conduct them to use all conceivable means to gain amicable admission to travel through their regions and to investigate the guns there that might be found, sustaining that if bad encounters and hostile treatment of them continued, the respect of the E.Comps. weapons would not fall into such disrepair that this recommended and already prepared expedition should be abandoned, for however brutal this nation may be, they will nevertheless be able to understand that such just procedures give more cause and persuasion to great than to small respect.
Thus advised in the Castle of Good Hope, 26 October 1682.
[Signed:] AND. DE MAN, Sects.
Original Dutch transcription
Aldus gearresteert in ‘t Casteel d’ Goede Hoop, datum ut supra.
[Signed:] MART. PIT.
[Signed:] W. LYCOCHTHON.
[Signed:] N. SCHAGHEN.
[Signed:] S. VAN DER STEL.
[Signed:] A. DE MAN, RT. EN SECTS.
Advisen in de saack nopende de tocht na de Namacquas.
39
D’ Heer Nicolaes Schagen, Extraordinarij Raat van India, is nopende dese saack van gevoelen dat men geen gewelt behoort te plegen en dat de tocht evenwel behoorde voortganck te neemen en dat in conformite van de ordres van de Heeren onse Principalen vervath bij haar Edle. missive van den 23 Januarij 1681 en de instructie van de Heer Generaal van Goens, laast Commissaris alhier aan d’ Caap, nagelaten tot reglement van den Commandeur en Raadt in loco.
Den Commandeur Simon van der Stel teekent voor sijn advis aan, alhoewel de voorn. Namacquase natie hebben gespargeert, wanneer de onse in haar landtpaalen quamen vijantlijck te sullen aantasten, sijn E. echter door ondervindingh te deser plaatse vastgestelt dat dese inlantse off Hottentootsnatie door haar vrouwachtigen en blooden aert met het op de aerde nederwerpen van een weijnigh bospoeder connen werden verjaagt, veel minder buijten alle menschelijcke opinien in geen het minste deel can werden in consideratie getrocken, dat dese Namacquase natie haar souden verstouten d’ onse qualijck te bejegenen, veel minder apparent dat sij eenige vijantlijcke actien sullen comen te plegen en sulcx de vrees die daar voor soude connen wesen, t’ eenemaal hier door is wegh genoomen, oversulcx ‘t geresolveerde om deselve te resisteeren bij quade ontmoetinge, eenlijck maar is streckende om onsen vendrigh, die als hooft over dese tocht sal commandeeren, bij d’ een off d’ ander onverwagte quade ontmoetinge te encourageeren om dese tocht tot een gewenste40 eijnde te brengen, daar andersints wel lichtelijck om de minste ontmoetinge van dese natie souden te rugh keeren, weshalven sijn E. bij de daar over genoomen resolutie in ‘t geheel blijft persisteeren.
Den Raat van Justitie Adriaan van der Heijden41 is van gevoelen, dat de tocht na de Namacquase natie behoorde voortganck te neemen, en ‘t desseijn na derwaarts te werden vervolgt, mitsgaders, soo d’ Hottetoots d’ onse quamen te resisteeren, door te breecken om ‘t dessein tot een gewenst oogmerck te brengen.
Den capteijn Jeronimus Cruse laat voor sijn advis aanteekenen dat de tocht, dewijl reets alles vaardigh is, behoorde voortganck te neemen, maar dat men echter alle mogelijcke diligentie behoorden aan te wenden om in der minne dese natie te passeeren, maar het werck daar toe niet te brengen sijnde, in sulcken geval van haar alvoorens vijantlijck aangetast werdende, deselve met gelijcke munt te betalen.
D’ luijtenant Jan Babtist Dubertijn is hem met het gevoelen van den capteijn Jeronimus Cruse in het geheel confirmeerende.
Den ondercoopman Andries de Man teekent voor sijn gevoelen aan, nopende dese materie, dat men dit desseijn door middel van gewelt niet behoorde tewerdenonderneemen,42 maar dese natie door een vrindelijck onthaal en met een cleen regaal soo verre trachten te disponeeren dat sij aan de onse den vrijen doorganck comen te verleenen, en daartoe alle bedenckelijcke middelen moeten aanwenden, volgens de nagelaten memorie van sijn edelheijt den Heere Gouverneur Generaal van Goens, op sijn jongst aanwesen alhier aan de Caap, maar ingevalle de Namacquas met geen minnelijckheijt daar toe connen gedisponeert werden, en d’ onse sonder daar toe redenen van offentie te sijn gegeven, vijantlijck comen aan te tasten om haar te beletten door te trecken, in sulcken cas d’ onse vrij sal staan haar te repouseeren, om ‘t desseijn tot een gewenste uijtslagh te brengen.
Den ondercoopman Martinus van Banchem laat voor sijn gevoelen aanteekenen dat hij bij de daar over genoomen resolutie in ‘t geheel blijft persisteeren.
Den Ordinaris Raat Marten Pit, jegenwoordigh presiderende in desen Raat, teekent voor sijn gevoelen aan, belangende dese materie, dat hij heeft gesien dat dese tocht bij de Heeren onse Meesters bij haar Edle. brief van den 23 Januarij 1681 is geconsenteert43 om ons te versien van vee en dat sijn edelheijt de Heer Gouverneur Generaal Rijckloff van Goens op sijn reijse na ‘t vaderlandt bij instructie44 dese togt recommandeert om te ondersoecken wat die landtstreeke mogte inhouden, expresselijck uijtdruckende dat sulcx in der minne moste geschieden en, terwijl de voordeelen daar van te haalen of aldaar te vinden, gants onseker en den Raat alhier aan d’ Caap niet geauthoriseert is diergelijcke ondersoeckinge te doen door wegh van gewelt, Soo is sijn E. van sentiment dat de onse op dese reijse gerepouseert en feijtelijck door de Namacquas belet wordende te volvoeren ons desseijn en te door reijse hunne landen, gelijck den Heer Commandeur Simon van der Stel presuponeert en vaststelt, volgens hun eijgen voorgeven en dreijgement, dat in sulcken geval geraden is weder te keeren en met ons desseijn door weg van gewelt voort te vaaren, dogh dat in voldoeninghe van des Heer Generaals recommandatie dese tocht voor sijn Es. komste al veerdigh en alle nootsaekelijckheijt geprepareert sijnde, egter behoorde sijn voortganck te hebben, met recommandatie aan den officier, die se sal geleijde, alle bedenckelijcke middelen te gebruijcken om in der minne toegelaten te worden tot ‘t door reijsen hunner landtstreeken en ondersoeckinge van ‘t gunt aldaar mogte te vinden sijn, sustineerende dat bij continueerende quade ontmoetinge en vijantlijcke bejegeningh van haar, ‘t respect van des E.Comps. wapenen niet soude comen in soodanigen verval, dat daar om dese gerecommandeerde en al reets bereijde togt behoorde te werden nagelaten, want of dese natie nogh soo beestachtigh sijn, soo sullen sij evenwel konnen begrijpen dat soodanige rechtvaardige proceduren meerder aanleijdinge en persuasie geven tot groot als tot kleen achtinge.
Aldus geadviseert in ‘t Casteel de Goede Hoop, 26 October 1682.
[Signed:] AND. DE MAN, Sects.