Skip to content
GenDatabase
Sign in

Cape Council of Policy

393

1669-04-10

Back

Minute details

Entry number
393
Date
1669-04-10
Year
1669

English translation

As today a meeting was held together with the E. Hr. Commander Rijckloff van Goens de Jonge60 and the aforementioned respective chiefs of the four return ships moored here, and the Commander of this residence was informed when her Esq. deemed her to be ready and sailing swiftly to be able to undertake her journey to the Fatherland, and because there were also some causes of dissatisfaction, etc., which was carefully considered by the said respective Esq. and it was resolved that everyone has complete satisfaction, and that next Saturday, being the 13th of this month, they will be clear and sailing swiftly to leave this bhaij and her Es. To promote the voyage to the Patriam, which has been established in the name of the Lord.

The Reverend Mr. Rijckloff van Goens de Jonge, Commander of these four Ceylon return ships present here, has stated to the Council in the meeting that he is obliged to endure some bad treatment of the Dispenser Jacob Granaat, in command of the ships, for a speedy dispatch, and that out of concern for the heartbreak that should be given to the return ships on the orders of the Reverend Mr. Commander Borghorst, would not be ordered and a response was received, for which there was neither time nor order from the Reverend Hr. Commander. Borghorst had, which was requested of him in Rade, whether he had received an ordinance and order from the aforementioned Commander to order the bread on board, on which side Ja, and the fault lay with him, and because no command had parried in addition to the bad treatment given to the Rev. Hr. Van Goens, addressing his commander in council with many harsh and insensitive words, and also acting in such a way that it should not be endured, resolved that Granaat should render satisfaction (to the Hon. Hr. Commander Borghorst for his failure to perform his duties, as well as to the Hon. Hr. van Goens for the mistreatment of his Hon.), and this was accomplished by admitting to him that he is to blame and is to his dismay.

And because the person of Jacob Granaat has been the quality and name of sub-merchant since March 15th. 1668 has been added, for which he has always been recognized and respected in the meeting as a councilor and in other occasions, but since he has now been found to be listed in the pay books as a book keeper and has not wanted to have his deed entered because he has always proven himself to be strict, which is however stated in the resolution drawn up on 15 March 1668 and signed by the Reverend Hrs. Commanders. Joan van der Laen and Cornelis van Quaelbergh, who wrote in their own hand on the deeds that they were booked, and principally on his own, the contrary being evident, whereupon he had the quality and name of sub-merchant added. Reason being demanded in the meeting, he replied in atrocities that the aforementioned deed had been forced upon him against his wishes and therefore had never been accepted. After deliberation, it was understood that the aforementioned Granaat would not be recognized as more than a bookkeeper, making himself unworthy of the sub-merchant's quality, and that, after having made all the necessary arrangements for the proper transfer of his belongings, he would provide this in due course.

Thus done and resolved in Fort de Goede Hoope in the day and year preceding.

Was signed Jacob Borghorst, R. v. Goens the Younger, C. Valckenburgh, R. Padbrugge, Cornelis de Cretzer and Johannes Coon.

Original Dutch transcription

Alsoo van daagh vergaderingh nevens d’ E. Hr. Commandeur Rijckloff van Goens de Jonge60 en de vordere respective opperhooffden van de hier ter rheede leggende vier retourschepen is gehouden, ende van den Commandr. deser residentie voorgestelt zijnde, wanneer haer Es. oordeelde gereet en zeijlvaerdigh te wesen, om haere noch te doene reijs na ‘t Patria te connen ondernemen en offer oock eenige oorsaken waren van misnoegen &a. ‘t welck bij de gemelte respective Hrn. met aandaght overwogen, en daer op is gedient dat elck sijne volcomen genoegen heeft, ende dat toecomende Saterdagh, zijnde den 13en deser, claer en zeijlvaerdigh zullen werden om dese bhaaij te verlaten en haer Es. reijs ad Patriam weder te bevordere, ‘t welck in de name des Heeren is vastgestelt.

d’ E. Heer Rijckloff van Goens de Jonge, Commandr. van dese vier hier ter rede leggende Ceijlonse retourschepen, in de vergaderinge aan den Raad voordragende, off gehouden is eenige quade bejegeninge van den dispencier Jacob Granaat in stuck van com[m]ando tot spoedige despechie der schepen te lijden, en dat uit vrage off ‘t hart broot ‘t welck aen de retourschepen op ord’re van d’ E. Heer Commandr. Borghorst moest wesen, niet bestelt zoude worden en tot antwoort creegh, daer toe geen tijt, noch ord’re van d’ E. Hr. Commandr. Borghorst had, ‘t welck hem in Rade is affgevraegt off niet een ordonnantie, en ordere van voorsz Commandr. heeft gecregen om ‘t broot aen boort te bestellen, waer op zijde van Ja, en de fout bij hem is geweest, ende dewijl geen commando heeft gepareert nevens ‘t qualijck bejegenen aen d’ E. Hr. van Goens, daer bij veel warse en onlijdelijcken woorden aen zijn gebiedent Commandeur te spreecken, mitsgaeders in Rade selve sich sodanich aanstellende dat ‘t selve niet dient te werden geleden, daerop geresolveert hij Granaat satisfactie (aen d’ E. Hr. Commandr. Borghorst over dat geen commando heeft g’presteert, nevens aen d. E. Hr. van Goens over quade bejegening aen zijn E.) zall doen moeten, ende bij hem volbracht in bekentenis dat schult heeft, ende hem leet is.

Ende dewijl den persoon Jacob Granaat de qualiteijt en de naam van ondercoopman zedert den 15en Maart ao. 1668 is toegevoegt, waer voor oock altijt in de vergaderinge als Raatspersoon ende in andere gelegentheijt erkent en gerespecteert is, maer de wijl nu bevonden wert in de soldijeboecken voor boeckhouder te boeck staet ende sijn acte niet heeft willen laten in schrijven omdat altijt bethoonen wouw hartneckigh te sijn, waer op echter in de resolutie getrocken op den 15en Maert ao. 1668 en geteeckent bij d’ E. Hrs. Commandrs. Joan van der Laen ende Cornelis van Quaelbergh, met eijgen hant geschreven heeft, op de actens dat se geboeckt zijn, ende principael op zijn eijgen, dat contrarie is blijckende, waerop hij hem de qualiteijt en de naam van ondercoopman heeft laten toevoegen, waer van in vergaderinge reden gevordert sijnde, gaff met atroce woorden tot antwoort dat gemelte acte hem tegens sijn danck was opgedrongen en daarom noijt hadde geaccepteert waerop gedelibireert sijnde, is verstaen gemelten Granaat niet hoger te erkennen dan voor boeckhouder als sichselven d’ ondercoopmansqualiteijt onwaerdigh maeckende, mitsgaders dat met gelegentheijt na all voren behoorlijcke transport van zijn onderhebbende administratie gedaen te hebben, verstrecken zall.

Aldus gedaen ende geresolveert in ‘t Fort de Goede Hoope ten dage en jare voorsz.

Was getekend Jacob Borghorst, R. v. Goens de jonge, C. Valckenburgh, R. Padbrugge, Cornelis de Cretzer ende Johannes Coon.