Skip to content
GenDatabase
Sign in

Cape Council of Policy

328

1664-05-18

Back

Minute details

Entry number
328
Date
1664-05-18
Year
1664

English translation

Notwithstanding, we have often heard and also ourselves found that with Pieter Willemsz van Weesp, present skipper of the flute boat 't Waterhoen, because of his restless, self-interested and malicious life, he can hardly come through the sea any more, and that is why on board from the least to the most so little had and despised. So we have nevertheless kept a hand over his head, and to promote more peace and quiet, several people who came out with him have been taken away at his request, and others have been appointed in their place, nevertheless we hear every day that there is constant strife and discord both in the cabin and on the landing, with bickering, scolding, hitting, and throwing goes around without such harm (of which he himself is often the cause) being able to be removed or prevented, since in addition the aforementioned skipper is also very stubborn, and will not listen to anyone in ship management or government, the little ship in question would have been in danger of being harmed many times on the recent voyage to Madagascar with him, as also recently with the same ship anchored off Robben Island, and laying too close to the clips, he had been properly warned of this by his chief bullock, and had been asked whether he should deviate a little from the shore and moor more towards sea. But he refused to allow this, as it was later discovered that both anchor ropes for the clips had mostly been frayed underwater, and everyone was in great danger.

And because we can also clearly see that mooring... The skipper of this second Madagascar voyage is quite unsettling, and everything is met with grief and unease. He now also finds himself beginning to daydream and doze, judging that this is the result of precisely the fact that, according to his wishes, he could not have left for India earlier with his ship, nor was he allowed to do so. He was even addressed very kindly that afternoon by Commander Wagenaer (where he had been summoned to the farewell meal with both chiefs Blanck and Nieuwlant), and told that he should now keep to the aforementioned Madagascar voyage, since he had, in accordance with his request, also taken away this second chief captain, with whom he had not been able to get along well, and had given him another in his place. But he shook his head and, not answering for a long time, finally said that nothing more was missing. When asked what it was, he replied that he would rather depart for Batavia via the Slot van Honingen, which, after brief and thorough deliberation, was fully granted, in order to be rid of such an unwilling, irresolute man and true dreamer once and for all. Consequently, it has been understood that in his place we will again appoint and use the chief captain Jan Jacobsz of Amsterdam, whom we were otherwise about to displace for the aforementioned skipper's sake, with confidence that the voyage will begin and be completed with better seamanship, calm and peace, than with the aforementioned. difficult dwarf head and that unbearable old ice grim had been able to be done.

Thus done and resolved in 't Fort de Goede Hope on the day and last year.

[Signed:] Z. WAGENAER.

[Signed:] ABRAHAM GABBEMA. 1664.

[Signed:] J. BLANCK.

[Signed:] J. v. NIEULAND.

[Signed:] HENDR. LACUS.

Original Dutch transcription

Niet jegenstaende wij dickwils gehoort en oock selffs bevonden hebben dat met Pieter Willemsz van Weesp tegenwoordigh schipper van het fluijtscheepje ‘t Waterhoen , om sijn ongerust, eijgensinnigh en boosaerdig leven halven, schier niet langer meer door zee te comen zij, en daerom binnen scheepsboort van de minste tot de meeste soo weijnig niet gehaedt en veracht wort: Soo hebben wij deselve eevenwel noch all de hant boven ‘t hooft gehouden, en tot voirderingh van meer rust en vreede verscheijde perzoonen die met hem uijtgecomen zijn t’ sijnen versoecke affgenomen, en ander daervoor in plaets gestelt, echter niet te min hooren noch all dageleijcx dat daer soo wel in de cajuijt als op den overloop geduerige twist en tweedracht met kijven, schelden, slaen, en smijten omgaet sonder dat sulcken quaet (daer hij dickmaels selffs de oorsaeck van is) bij hem kan weggenomen off voorgecomen worden, dewijle daerenboven de voorn. schipper oock seer stijff-hooffdigh is, en na niemant in scheepsbestieringh noch regeeringh luijsteren wil, soude ‘t gemte. scheepje op de Madagascarse reijs jongst bij hem gedaen menigmael in gevaer van te verongelucken zijn gebracht geweest, gelijck oock noch onlangs geleden met het selve voor ‘t Robbeneijlant geanckert, en de clippen al te nae leggende van sijn opperstierman hiervan behorelijck gewaerschuwt, en gevraeght was geweest, off hij wat van de wal affwijcken en beter zeewaerts in gaen leggen mocht. Maer had sulcx niet toestaen willen dies men naderhant bevonden had dat de beijde ancker touwen voor van de clippen onder water meest door geveijlt en altemael in groot gevaer geweest waeren.

Ende om dat wij daerbeneffens oock wel cunnen bemercken dat meergemte. schipper dese tweede Madagascarse reijs gants tegen de borst is, en alles met verdriet off onlust doet, soo bevinden nu oock dat hij begint te mijmeren en te suffen, oordelende dat sulcx daeruijt ontstaeth, om dat hij juijst na sijn will niet vroeger met sijn scheepje heeft cunnen noch mogen naer India vertrecken alhoewel hij noch desen middagh door den Commandeur Wagenaer11 (daer hij met de beijde opperhooffden Blanck en Nieuwlant op ‘et affscheijtmael geroepen was) gants vrundelijck toegesproken en hem aengeseijt is, dat hij nu tot de voorsz Madagascarse reijs maer goeden moet houden most, dewijle hij hem t’ sijnen versoecke oock desen tweeden opperstierman daer hij mede niet wel overweg comen con affgenomen en hem daervoor een ander in plaets gegeven hadde, maer hij het hooft schuddende, en langh daerop niet antwoordende, seijde eijndelingh datter noch meer ontbrack, gevraeght zijnde wat sulcx was antwoorde dat liever per ‘t Sloth van Honingen na Batavia vertrecken wilde, ‘t welck hem oock na korte envolkomen12 beraet, volkomen toegestaen is, om eens van alsulcke onwillige irresolute man en rechte droomgeest t’ eenemael van hier ontslagen mogen raken. Ingevolge is verstaen dat in desselfs plaets weder tot schipper bij provisie stellen en gebruijcken sullen den opperstierman Jan Jacobsz van Amsterdam, die wij anders om de voorn. schippershalven stonden te verplaetsen, met vertrouwen dat die reijs met beter zeemanschap rust en vreede sal begonnen en voltrocken worden, als met dat voorn. moeijelijcke dwershooft en die onverdragelijcke ouden ijsengrim souw hebben kunnen gedaen werden.

Aldus gedaen ende geresolveert in ‘t Fort de Goede Hope ten dage ende jare voorsz.

[Signed:] Z. WAGENAER.

[Signed:] ABRAHAM GABBEMA. 1664.

[Signed:] J. BLANCK.

[Signed:] J. v. NIEULAND.

[Signed:] HENDR. LACUS.